Wat is jeugdcriminaliteit?

Bijna dagelijks wordt in de media aandacht besteed aan wetsovertredingen die gepleegd worden door jongeren, die samengevat worden onder de noemer ‘jeugdcriminaliteit’. Overtreding van de wet door een tienjarige of door een 22-jarige wordt benoemd als jeugdig crimineel gedrag. Strikt genomen is dit onjuist. In ons land zijn er namelijk scherpe leeftijdsgrenzen voor jeugdcriminaliteit. Kern van ons strafrecht is dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid met het toenemen van de leeftijd groter wordt. Onder twaalf jaar is er geen strafrechtelijke verantwoordelijkheid en zijn jeugdigen niet vervolgbaar. Van 12 tot 18 jaar spreken we van strafrechtelijk minderjarigen op wie het jeugdstrafrecht van toepassing is en vanaf 18 jaar geldt het algemene strafrecht, ook wel volwassenenstrafrecht genoemd.

De meest zuivere en formele definitie van jeugdcriminaliteit is dan ook de volgende: 'Jeugdcriminaliteit verwijst naar gedrag van jongeren van 12 tot 18 jaar waarmee bepaalde - in wetboeken vastgelegde - normen worden overtreden en waarop een straf staat.'

Cijfers: Omvang, ontwikkeling en aard van de jeugdcriminaliteit in Nederland

Volgens politiegegevens zijn er in 1960 circa 23.000 minderjarigen verhoord, in 1985 circa 47.000 en in 2007 circa 68.900. Om misinterpretaties te ondervangen, drukken criminologen het aantal minderjarige verdachten meestal uit per 1.000 inwoners in dezelfde leeftijdscategorie. In 1960 registreerde de politie 18 minderjarige verdachten per 1.000 minderjarige inwoners, in 1985 waren dat er 32 en in 2007 57. Gemiddeld wordt sinds 1985 ongeveer 4% van alle minderjarigen jaarlijks als verdachte door de politie gehoord in verband met een misdrijf. Jongeren staan vooral geregistreerd voor vermogensdelicten. Winkeldiefstal en (brom-) fietsdiefstal staan daarbij aan kop. Het aantal geregistreerde vermogensdelicten blijft de laatste jaren redelijk stabiel. Er is een vrij constante toename van het aantal geweldsincidenten (vooral mishandelingen). Vernieling en verstoring van de openbare orde maken een lichte groei door. Ook blijkt dat jongens vijf á zes keer vaker door de politie gehoord worden dan meisjes. Het aandeel van meisjes in de politieregistratie neemt in de loop der jaren overigens wel gestaag toe. Politiestatistieken kennen beperkingen. In feite zijn de hierboven gepresenteerde cijfers, de geregistreerde criminaliteit, nauwelijks representatief voor de omvang van de werkelijk gepleegde criminaliteit. De politie is immers niet in staat alle daders van misdrijven aan te houden én lang niet alle delicten worden aangegeven. Ter aanvulling van de politiestatistieken is er selfreportonderzoek. Dat dient om meer zicht krijgen op de werkelijke aard en omvang van de jeugdcriminaliteit. In selfreportonderzoek wordt aan minderjarigen gevraagd een vragenlijst in te vullen, met onder andere vragen over het plegen van delicten. Behalve naar ernstige misdrijven wordt ook gevraagd naar het plegen van delicten die samen te vatten zijn met de term ‘veelvoorkomende criminaliteit’. Dat zijn delicten die voor het grootste deel voor rekening komen van jongeren en die de politie nauwelijks opheldert.

Uit selfreportonderzoek komt reeds een aantal jaren het volgende beeld naar voren: 55% tot 65% van alle jongeren tussen de 12 en 18 jaar maakt zich wel eens schuldig aan het plegen van tenminste één strafbaar feit. Dit cijfer staat in schril contrast met het percentage door de politie gehoorde verdachten (4%) en toont eens te meer de beperktheid van politiecijfers aan. Volgens het selfreportonderzoek maken jongeren zich bij uitstek schuldig aan ‘zwartrijden’, ‘vuurwerk afsteken’, ‘uitschelden vanwege huidskleur’, ‘slaan zonder verwonding’ en ‘graffiti’. Selfreportonderzoek laat over meerdere jaren een stabiel beeld zien in percentage delictplegers. Uit beide bronnen is af te leiden dat het aantal jongeren dat door de politie wordt aangehouden een fractie is van het aantal jongeren dat wel eens een delict pleegt. Dit wijst op een grote discrepantie tussen en ernst en omvang van jeugdcriminaliteit. Daarnaast moet de gedachte dat jeugdcriminaliteit stijgt gerelativeerd worden. Politiecijfers wijzen in deze richting, maar selfreportonderzoek laat juist een stabiel beeld zien.

advertentie

Typen jeugddelinquenten

Jeugddelinquenten vormen geen homogene groep:

  • Er zijn zogenoemde risicojongeren, die zich weliswaar nog niet schuldig hebben gemaakt aan het plegen van strafbare feiten, maar gelet op allerlei factoren daarop wel risico lopen.
  • Dan zijn er de first offenders, ofwel jongeren die voor het eerst zijn opgepakt voor een delict.
  • Vervolgens komen de licht criminele jongeren die al meer dan eens zijn opgepakt.
  • Tot slot zijn er de veelplegers (ook wel harde kernjongeren). Dat zijn jongeren die uitzonderlijk frequent delicten plegen.

Groepscriminaliteit

Jongeren plegen veel delicten in groepsverband. Ongeveer 75% van alle door jongeren gepleegde delicten worden in groepsverband (met meer dan twee personen) gepleegd. Dat hoeft niet te betekenen dat alle jongeren in de groep meedoen aan bijvoorbeeld het vernielen van een bushokje. Sommigen zullen alleen toekijken terwijl anderen het strafbare feit begaan. Over het algemeen wordt het groepsaspect van delinquent gedrag minder naarmate de jongeren ouder worden. Ofwel zij verlaten na verloop van tijd de groep en houden op met het plegen van strafbare feiten, ofwel zij gaan daarmee door maar dan met kleinere dadergroepen of alleen. Dit heeft onder meer te maken met het vertrouwen in de mededaders, het verkleinen van de pakkans en het delen van de buit met minder personen.

Niet alle jeugdgroepen hebben hetzelfde karakter:

  • Hinderlijke groepen zijn vooral lastig voor de buurt vanwege de overlast. Deze groepen hebben een korte bestaansduur.
  • In de overlastgevende groepen gaat het naast overlast en hinderlijk gedrag om ernstiger delicten, zoals openbare geweldpleging. Drugsgebruik en uitgaan zijn typerend voor deze groepen. De delicten hebben vooral een 'recreatief' karakter.
  • Jongeren uit criminele groepen plegen vooral misdrijven voor het financiële gewin. Het betreft delicten die geld opleveren zoals drugshandel en inbraken.

Aanpak van jeugdcriminaliteit

Uit het voorgaande volgt dat een uniforme aanpak van jeugdcriminaliteit niet voor de hand ligt. Een first offender vergt een andere aanpak dan een jeugdige veelpleger en datzelfde geldt voor de verschillende problematische jeugdgroepen. In algemene zin kan gesteld worden dat we in ons land - zeker als het gaat om crimineel gedrag van jeugdigen - terughoudend zijn met het opleggen van zware sancties zoals vrijheidsbenemende maatregelen. De eerste stap is om te investeren in het voorkomen van crimineel gedrag (preventie). Gaan jongeren toch in de fout dan zullen politie en justitie zich - over het algemeen – eerst bedienen van zogeheten ‘pedagogisch gerichte sancties’ zoals Halt en pas in een later stadium overgaan tot taakstraffen, straffen of maatregelen.

Bronnen

Bureau Beke, Bureau Halt, Centraal Bureau voor de Statistiek, DJI, Kinderbescherming, Ministerie van Justitie, Politie, Rechtspraak, Wetten, WODC

advertentie

Linkpartners


Jeugdcriminaliteit.net is een onderdeel van XYZap Media.
XYZap Media streeft ernaar om haar bezoekers aan de hand van de vernoemde bronnen zo correct mogelijk te informeren over dit onderwerp. Wij zijn niet verantwoordelijk voor de inhoud van de getoonde advertenties en linkpartners. Wilt u linkpartner worden of heeft u vragen, opmerkingen of suggesties, neem dan contact op met onze redacteur via .